Wie doet de afwas?

Wie doet de afwas?

Oké. Je hebt een aantal soorten mensen. Zo heb je mensen die eerst de bovenkant van een tompouce eten – nooit begrepen, het lekkerste bewaar je tenslotte voor het laatst – en mensen die ‘advocado’ zeggen in plaats van ‘avocado’ – als je dit doet kunnen we sowieso geen vrienden zijn. Dan heb je nog een specifiek soort mensen waar je niet alleen ontzettend van houdt, maar die je tegelijkertijd ontzettend haat. Ze maken je leefomgeving smerig waar je bijstaat, zijn altijd aanwezig op de momenten dat jij het liever niet hebt, maar zijn ze er een keer niet? Dan voel je je eenzaam en zou je willen dat ze er zijn. Inderdaad. Huisgenoten.

 

Persoonlijk vind ik dat je van het hebben van huisgenoten alleen maar groeit. Ze maken je een beter mens in werkelijk alle opzichten. Dat gaat echter niet altijd zonder slag of stoot, zullen we maar zeggen. Zo ben ik iemand die eigenlijk alles graag OP HAAR EIGEN MANIER doet. Mijn dag start ik het liefst met het RTL Ontbijtnieuws met Jan de Hoop – want die matcht zijn mok altijd met zijn overhemd en alleen daarom al heeft de beste man mijn hart gestolen -, ik drink mijn koffie standaard uit dezelfde mok en als dat niet gaat dan is mijn ritme verstoord en ik was altijd direct af terwijl ik mijn laatste hap stamppot nog door moet slikken. Laten staan was hierin geen optie. Vond ik irritant.

 

Het maakt overigens geen reet uit wat voor huisgenoten je hebt. Ze zijn allemaal hetzelfde. Zo heb ik een half jaar een Iers appartement gedeeld met twee Braziliaanse meiden. Die kunnen verbazingwekkend fantastisch koken, dat moet ik ze nageven. Maar 6 dagen later stond de aangekoekte pan waarin ze de ‘Pao de Queijo’ – vrij vertaald ook wel ‘iets met heel veel kaas’ in het Nederlands en de beste uitvinding ooit – bereid hadden nog steeds op het aanrecht. Ik kon mijn schoenen dan wel opvreten als ik thuis kwam na een dag college en die pan er nog steeds stond. De hel. Toch heb ik op zo’n moment alleen mezelf ermee. Waar ik compleet uit mijn plaat schoot tijdens een Skype gesprek met mijn moeder, hadden mijn huisgenootjes er ontzettende schijt aan.

 

Na mijn Braziliaans-Ierse fase besloot ik terug in Nederland een studentenkamer te zoeken. Ik had al die tijd nog gewoon bij mijn ouders gewoond maar vond het hoog tijd om mijn vleugels definitief uit te slaan. Niet alleen het huis waar je gaat wonen, maar ook je huisgenoten kies je in principe enigszins zelf uit. Los van de verschrikkelijke hospiteeravond waarin je vragen krijgt als ‘stel je voor dat je alles kon worden wat je wilde, zou je dan een tosti hamkaas zijn of toch een clubsandwich?’. Van tevoren had ik hierin één afspraak met mezelf gemaakt. Geen. Gemengd. Huis. Ik dacht namelijk dat huizen met mannen verschrikkelijk goor waren. Mij niet gezien dus. Bleek dat toch even een enorme aanname van heb ik jou daar te zijn.

 

Vervolgens kom je er namelijk achter dat wij vrouwmensen tachtig keer zo erg zijn. Ik heb ranzige dingen gezien en meegemaakt hoor. De details zal ik je verder besparen, maar ik heb in één van de huizen ooit de wc in dusdanige toestand aangetroffen dat ik besloot een weekend te spenderen bij mijn ouders. In de hoop dat het dan vanzelf weg zou zijn. Zo erg? Zo erg, ja.

Vanaf het moment dat ik realiseerde dat elk huis wel wat heeft, probeer ik stukje bij beetje dat monster in mij los te laten. Het heeft namelijk geen enkele zin. Soms laat ik de afwas staan totdat het besluit vanzelf weg te lopen. Soms laat ik de gewassen was zó lang in de wasmachine liggen dat ik het opnieuw moet wassen omdat mijn handdoeken ruiken naar natte hond – en geloof me, dat is niet chill douchen. Niet chill. Nooit doen, dus -, en soms is het zó belachelijk schoon in huis, dat je van de vloer kunt eten. Balans, noem ik het maar.

Nu woon ik in een after studentenhuis. Zo’n huis wat zeg maar nog steeds een huishouden van Jan Steen is, maar dan toch een stuk minder goor en stuk minder studentikoos. Bevalt prima. Ook daar wil ik nog altijd graag alles op mijn eigen manier doen. En ook daar gaat dat niet altijd. Maar ik woon in elk geval niet met iemand samen die ‘advocado’ zegt in plaats van ‘avocado’. Dat beschouw ik als een pluspunt.

Conclusie van all dit? Niemand is hetzelfde. En iedereen heeft weer wat anders te zeiken. Dus soms moet je gewoon 6 dagen door de vingers kijken. Of het lekker zelf doen.



Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *